Niemandsland
Waar mijn ouders wonen, is het Liesbos nog een bos. Iedere geparkeerde auto beangstigt me, een beetje. Witte koplampen staren in mijn ogen. Rottende bladeren ademend,
Hier, achter de rivieren, vlak
voordat de stad begint,
is het Liesbos een vlakte met rioolzuivering,
maneges en schrikkeldraad, verduisterd fietspad
onder dichtgeslibde snelweg, modder
op asfalt, 'u verlaat nu onze gemeente,
tot ziens.' Het ontbreken van lantaarnpalen.
Mij als vrouw alleen, een bibberend
lichtje rood, een bibberend lichtje kleurloos.
Een motor huilt in de verte,
strijkt door mijn haren.
Natte vingerkootjes, koude enkels.
Wikkel me in een schimmelige deken,
een doordrenkt tapijt en niemand
vindt me hier. Tenminste voor een paar weken.
aarde tussen mijn vingers, tussen mijn tanden,
mijn kousen vol slootwater,
mijn rok tegen mijn kin.
Reacties: