Waarheidsgetrouw
we zijn stralende kleuren misschien kijgen ze vleugels een onaards glinsterend landschap waar we uit gemaakt zijn geven we terug we zijn van hout, gespannen linnen als penselen van eekhoorntjes olie en water, zonder uit elkaar te vallen op onze heupen, knieën, schouders we zingen, we kennen het geluk dit bed is onze mandorla
loog de donkere lagen glans af en zie
personen die we niet meer zijn, toch aanwezig
een wit vertrek van concentratie
maken ze onze vragen licht als glas
kunnen ze een goed woord doen
geruststellender dan gewijde boeken
geen diepte, geen logisch perspectief
maten zijn relatief, alles deelt
in het licht en verandert
in een ongeschapen vorm, opgedragen aan
niet alleen deze stoffelijke wereld
niet alleen wat mensenogen zien
geduldig en geduldig bestoven
met kleverige beenderen, voorgetekend
gehuld in honing-bladgoud, kwetsbaar
geschilderd door bittere mineralen
verzuurd in azijn, alleen glanzende
eidooiers houden ons in verf bijeen
we zijn van hout, achtergebleven tranen
drogen door, we trekken krom
in jaarringen bollen we op
stapelen steeds meer heldere tonen, tinten
uit ons weelderig gelaagde schijnsel
weefsels van heiligen in de hemel
hebben een nieuw, verheerlijkt lichaam
vredige, onbewogen gezichten
gekust en bewierookt, goddelijke afdrukken
wanneer we opstaan zijn we niet langer
onszelf
zijn we ongesigneerd
Reacties:
saskia:Ik loop op dit moment stage in Museum Catharijneconvent in Utrecht. Een tentoonstelling van iconen daar vormde de aanleiding voor dit gedicht.
astrid:dit moet ik nog een paar keer lezen hoor,tot wanneer is dat in utrecht?